Stadhoudersbrief (feit & fictie) PDF Afdrukken E-mail

Op 20 Juli meldde eenen Tichelaer zich bij de hofmeester van Willem's legerkamp in Bodegraven. Hij zou een belangrijke boodschap brengen. Willem hoorde zijn verhaal aan en schoof de zaak door naar het Hof van Holland. Hij had wel wat anders aan zijn hoofd. 

De brief schreef de prins drie dagen voor de moord op Johan en Cornelis de Witt. 

 

Bodegraven, 17 augustus 1672

Mynheer De Witt –

Ick heb uwen brief van den 12 deezer maend ontvangen met het daerby gevoegd schotschrift. Ick had reeds spoediger hierop geantwoord, indien myn meenigvuldigen beezigheeden my niet verhinderd hadden.

Ick kan u verzeekeren, dat ick deezen soort geschriften, seedert niet alleen de leeden van mynen familie, maer oock ick zelfen met schaemteloozen vrymoedigheid ben aangevallen, steeds met den grootsten minachting heb behandeld.

Wat den twee punten betreft, waarover u zich beklaegt, namelyk den beschuldiging aangaende het geld van den Geheyme Diensten, en den verwaerloozing van den behoeften van het leeger, kan ick wat het eersten betreft alléén zeggen, dat ick daer niets van weet, en dat den Gedeputeerden der Staeten, zoals u terecht zelf opmerckt, hier beeter over kunnen oordelen dan iemand anders.

Wat het tweeden aengaet, ick kan noch wil er aen twyfelen, dat u voor het Leeger der Staeten, zowel ter land als ter zee, gedaen hebt wat de toestanden en den tyden u toelieten te doen, en wel op zulcken wyze, dat het den vyand zou hebben kunnen weerstaen.

U zult echter begrypen, dat het een onmooglyckheid zou zyn alles te specificeeren wat er ontbrack, voornamenlyk by den Landmacht, en wat er gedaen werd om hieraen tegemoet te koomen, te vergelyken met wat er gedaen had moeten worden, ofwel uyt te maeken wie hierin schuldig was. Ick zelf heb zooveel zaken in orde te brengen, dat ick geen tyd heb om in het verleeden te zien.
U zult daerom meer rechtvaerdiging vinden in uw eygen vroegeren voorzichtigheydsmaetregelen, dan in myn oordeel.

Ick hoop van ganser harte een andere geleegenheyd te mogen hebben om te tonen, dat ick ben uw toegeneegen vrind,

WILLEM HENDRIK, PRINS VAN ORANGE